Financieel – De recente bijdrage van burgemeester Ellen van Selm aan het Europees Comité van de Regio’s.
Zij benadrukte een breed gedeeld inzicht: de woningnood is geen lokaal of nationaal vraagstuk, maar een structureel Europees probleem. Haar pleidooi voor betaalbare huisvesting en voor het kritisch herzien van Europese regelgeving positioneert Purmerend nadrukkelijk binnen dit bredere beleidskader.
Deze positionering vraagt echter om lokale concretisering. Betaalbaarheid van wonen wordt immers niet uitsluitend bepaald door de beschikbaarheid van woningen, maar in toenemende mate door structurele woonlasten. Energievoorziening en in het bijzonder warmte vormt daarbij een bepalende factor.
In Purmerend is deze spanning duidelijk zichtbaar. Stadsverwarming Purmerend, lange tijd gepresenteerd als kostenvoordeel, wordt door veel huishoudens inmiddels als financieel belastend ervaren. Dit wijst op een fundamenteel institutioneel probleem: woningbouwbeleid en warmtebeleid zijn nog onvoldoende geïntegreerd. Zonder samenhang ondermijnt betaalbaar bouwen zijn eigen doelstelling.
Voorbeelden
Internationale voorbeelden tonen aan dat deze integratie wel degelijk mogelijk is. In Zweden en Noorwegen wordt restwarmte van datacenters structureel ingezet voor de verwarming van woningen. Datacenters produceren continu warmte via lucht- en waterkoeling. De beschikbare temperatuur ligt doorgaans tussen de 25 en 55 graden Celsius. Voor inzet in een stedelijk warmtenet is opwaardering via industriële warmtepompen noodzakelijk, waarbij aansluiting op een laag- of middentemperatuurnet (LT/MT) het meest efficiënt is. Het grote voordeel van deze warmtebron is de constante baseload: 24 uur per dag beschikbaar, goed voorspelbaar en onafhankelijk van seizoensinvloeden.
Ook Purmerend beschikt over relevante randvoorwaarden om deze benadering te verkennen. Stadsverwarming Purmerend heeft nog grondposities beschikbaar, wat mogelijkheden biedt voor strategische samenwerking met datacenterexploitanten, zoals Microsoft. Mits beleidsmatig gestuurd, kan de vestiging van dergelijke partijen bijdragen aan zowel digitale infrastructuur als aan een stabiele en betaalbare warmtevoorziening.
Parallel hieraan wordt gewerkt aan het project Aardwarmte Purmerend, waarin Yeager Energy, EBN, Stadsverwarming Purmerend en de gemeente samenwerken aan duurzame warmtewinning uit de diepe ondergrond. Het doel is het bestaande warmtenet, dat momenteel grotendeels steunt op biomassa en voor circa dertig procent op aardgas, verder te verduurzamen. De eerste aansluitingen op aardwarmte worden rond 2027 verwacht.
Combinatie
Vanuit beleidsmatig perspectief ligt de kern in systeemintegratie. De combinatie van aardwarmte als hoge-temperatuurbron en datacenterwarmte als stabiele baseload creëert een robuust warmtesysteem met grotere leveringszekerheid en betere prijsbeheersing. Indien betaalbare woningbouw daadwerkelijk prioriteit heeft, vereist dit een integraal beleidskader waarin wonen en warmte onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Purmerend beschikt over de schaal en de casus om hierin richtinggevend te zijn.
In Zweden en Noorwegen wordt de restwarmte van datacenters al jaren niet gezien als afval, maar als een waardevolle energiebron. Datacenters produceren continu warmte via lucht- en waterkoeling. Waar deze warmte in veel landen wordt weggeblazen, is zij in Scandinavië structureel geïntegreerd in de stedelijke warmtevoorziening.
De basis daarvoor is een fijnmazig netwerk van warmtenetten, dat in beide landen al decennialang bestaat. Nieuwe datacenters worden planologisch gekoppeld aan deze netten. De relatief lage temperatuur van de restwarmte wordt met industriële warmtepompen opgewaardeerd en ingevoerd. De datacenterwarmte fungeert daarbij als constante baseload, terwijl andere bronnen, zoals geothermie of afvalverbranding, piekbelasting opvangen.
Warmteterugwinning
Het succes van deze aanpak is vooral beleidsmatig. Warmteterugwinning is vaak een expliciete voorwaarde voor vestiging van datacenters. Gemeenten en publieke warmtebedrijven voeren regie, sluiten langjarige contracten en behandelen warmte als nutsvoorziening in plaats van handelswaar.
Voor huishoudens resulteert dit in stabielere en lagere warmteprijzen en een lagere CO₂-uitstoot. Zweden en Noorwegen laten daarmee zien dat restwarmte geen technisch experiment is, maar een bewuste institutionele keuze.