PURMEREND/BEEMSTER – Soms komen oude belastingen ineens weer onder onze aandacht.
Niet door een politiek debat of een raadsvoorstel, maar doordat er een controleur aan de deur staat. In de afgelopen maanden gingen in Purmerend controleurs langs woningen om hondenbezit te registreren en te controleren of honden zijn aangemeld voor de hondenbelasting. Daarmee is een belasting die haar oorsprong kent in de vijftiende eeuw ineens weer onderwerp van gesprek.
De hondenbelasting behoort tot de oudste belastingen van Nederland. Oorspronkelijk werd zij ingevoerd om uiteenlopende redenen. Gemeenten wilden zwerfhonden terugdringen, hondsdolheid bestrijden en inzicht krijgen in hondenbezit. Later werd de belasting ook gezien als een vorm van luxeheffing. Wie zich een hond kon veroorloven, kon volgens die gedachte ook bijdragen aan de gemeentekas.

Veel van die oorspronkelijke argumenten zijn inmiddels verdwenen. Toch wordt de belasting in een aantal gemeenten nog steeds geheven. Purmerend behoort tot die groep. Tegelijkertijd kiezen steeds meer gemeenten ervoor om de hondenbelasting af te schaffen. Grote steden als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht functioneren al jaren zonder deze heffing. Dat maakt de vraag relevant waarom Purmerend de belasting nog steeds handhaaft én actief controleert.
De discussie wordt extra interessant wanneer wordt gekeken naar de geschiedenis van de fusie tussen Purmerend en Beemster. Voor de fusie kende de gemeente Beemster geen hondenbelasting. In Purmerend bestond deze wel. Bij de vorming van de nieuwe gemeente werd uiteindelijk besloten de hondenbelasting te behouden. Daardoor kregen veel inwoners van de voormalige Beemster voor het eerst met deze belasting te maken.

Tegelijkertijd lijkt niet iedere inwoner van de gemeente Purmerend op dezelfde manier met de heffing te maken te hebben. Delen van het buitengebied vallen buiten de regeling. Daardoor ontstaat de situatie dat binnen één gemeente verschillende regels kunnen gelden voor hondenbezitters.
Dat roept vragen op over de onderbouwing van het beleid. Waarom betaalt de ene hondenbezitter wel en de andere niet? Welke argumenten liggen daaraan ten grondslag? En zijn die argumenten vandaag de dag nog actueel?

Het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1 van de Grondwet bepaalt dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Dat betekent niet dat iedere vorm van onderscheid verboden is. Overheden mogen onderscheid maken wanneer daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. De vraag is daarom niet of er sprake is van een verschil, maar of dat verschil voldoende kan worden uitgelegd.
Historisch werd soms gewezen op het onderscheid tussen stedelijke honden en werk- of erfhonden in het buitengebied. Opmerkelijk genoeg laat de geschiedenis van de hondenbelasting zien dat werkhonden in veel perioden juist óók werden belast. Daarmee ontstaat de vraag of historische argumenten nog steeds een voldoende basis vormen voor hedendaagse uitzonderingen.

Daarnaast speelt een tweede vraag. Waar wordt de opbrengst van de hondenbelasting eigenlijk voor gebruikt? In veel gemeenten vloeit de opbrengst niet rechtstreeks naar hondenvoorzieningen, maar naar de algemene middelen. Daarmee is het verband tussen de belasting en het oorspronkelijke doel grotendeels verdwenen.
Voor Broca Media vormt dit aanleiding om vragen aan de gemeente Purmerend te stellen. Onder meer over de opbrengsten van de hondenbelasting, de kosten van handhaving, de achtergrond van eventuele vrijstellingen en de argumenten om de belasting te behouden terwijl steeds meer gemeenten haar afschaffen.
Zeshonderd jaar nadat de eerste hondenbelasting werd ingevoerd, blijkt de discussie nog altijd niet uitgewoed. Misschien gaat het allang niet meer over honden, maar over de vraag hoe gemeentenbelastingen motiveren en hoe zij inwoners binnen dezelfde gemeente behandelen.
Hoe kijkt u hier tegenaan?
Heeft u vragen of een andere visie op dit onderwerp? Laat een reactie achter.